Tijd door het jaar (B)

Zusters en broeders,

In het evangelie is er zinnetje dat ons wellicht direct aanspreekt omdat we er misschien onszelf in herkennen. De leerlingen zijn naar Galilea getrokken, en daar verschijnt Jezus hen voor het eerst na zijn verrijzenis, en ‘toen ze Hem zagen, bewezen ze Hem alle eer, maar sommigen twijfelden.’ Het is dat laatste zinnetje dat ons direct kan aanspreken: ‘sommigen twijfelden’, klinkt het. Met andere woorden, ze kunnen niet zomaar geloven dat de man die hen tegemoet komt de verrezen Heer is. Zien ze een onbegrijpelijk verschijnsel? Heeft een utopie een menselijke vorm gekregen? De utopie namelijk dat de man die op het kruis is gestorven verrezen is. Dat kan toch niet! En die twijfel is heel begrijpelijk, en ook een heel menselijk. Want dood is dood. Zo ervaren we het allemaal: dood is dood.

Maar we zien een uitzondering, en dat is Jezus: Hij is verrezen, en Hij leert ons dat ook wij zullen verrijzen. Maar hoe mooi en hoe hoopvol dat ook klinkt, het blijft een onbegrijpelijk mysterie waaraan wij wellicht meer dan eens twijfelen, net zoals sommige apostelen. Maar de verrijzenis is wel de kern, de basis van ons geloof: dat we zullen verrijzen en eeuwig leven in Gods warme liefde.

Vandaag vieren we nog een ander mysterie, namelijk dat van de heilige Drie-eenheid. Eén God in drie personen: de Vader, de Zoon en de heilige Geest. Maar ze zijn geen drie echte personen, wel drie uitingen van één en dezelfde God.  In de lezingen krijgen die drie uitingen uitdrukkelijke aandacht.

In de eerste lezing beklemtoont Mozes de trouw van God. In brandend vuur is Hij aan het volk verschenen, heeft Hij hen zijn geboden van liefde en trouw voorgehouden, en blijft Hij hen trouw in zijn steun om te leven naar die geboden. In de tweede lezing legt Paulus de nadruk op de Geest van God, die bevestigt ‘dat wij kinderen zijn van God, en dus ook erfgenamen, samen met Jezus.’ Wat een weelde: als kinderen van God zijn wij ook erfgenamen van onze Vader in de hemel, die in de persoon van Jezus onder ons is gekomen om ons zijn liefde en vrede voor te leven. En in het evangelie zegt Jezus: ‘Mij is alle macht gegeven in de hemel en op de aarde.’ En met die macht bedoelt Hij niet de wereldlijke macht van vorsten, koningen, keizers en andere machthebbers, maar de macht van de liefde, want God is liefde. Geen heerschappij, geen onderwerping, geen dwang, maar liefde. En Jezus voegt daaraan toe: ‘Maak alle volkeren tot mijn leerlingen, en leer hen alles onderhouden wat Ik u heb opgedragen.’ En wat heeft Hij zijn apostelen opgedragen? Dat er maar één gebod is: ‘Bemin God bovenal, en  houd evenzeer van uw naaste als van uzelf.’ Beminnen, houden van: het zijn allebei werkwoorden van hetzelfde zelfstandig naamwoord, en dat is liefde. En daarmee weten we dat liefde een werkwoord is.

Dat is de boodschap die we, net als de apostelen, moeten uitdragen: dat God, dat Jezus, dat de heilige Geest liefde is, en dat Hij onder ons aanwezig is. Hij is als Vader aanwezig in de liefde die we geven en krijgen, en ook in de mensen die aandacht hebben voor hun medemensen. Hij is als Zoon aanwezig in ons geloof, ook in moeilijke dagen van ziekte, lijden en tegenslag. En ook in onze liefde die sterker is dan de dood.  En Hij is als Geest aanwezig in ons geloof dat sterker is dan alle twijfels, en in ons enthousiasme dat ons geloof altijd vernieuwt en openmaakt voor Gods eindeloze liefde.

Zusters en broeders, moge dat onze ervaring zijn van de heilige Drie-eenheid: het mysterie dat we met ons menselijk verstand nooit zullen begrijpen, maar dat ons bijbrengt dat God eindeloze liefde is die ons op elk moment van ons bestaan nabij is in de gemeenschap van de Vader, de Zoon en de heilige Geest. Amen.